Blog

Er is momenteel veel te doen over seksueel grensoverschrijdend gedrag. Onderstaande blog vertelt het verhaal van een vrouw die als klein meisje is aangerand, of aangeraakt als je het zo wilt noemen. Aangeraakt zonder toestemming. Bedreigd door de situatie waarin ze verkeerde, het mes wat overduidelijk als pressie is gebruikt. Bedreigd, omdat ze stil moest zijn. Er is geen officiële aangifte gedaan omdat er niets ‘gebeurd’ was. En dat is nu net de overeenkomst met de verhalen van nu. Waardoor het gebeuren weer opgerakeld wordt. Waarom zouden de meisjes van nu geen aangifte mogen doen. Ik wijs niet met een beschuldigende vinger naar de mannen waar het nu over gaat. Ze zijn slechts verdachten. Maar bagatelliseren dat het niet erg is, daar moeten we van af. Niemand mag ongevraagd aan je lichaam zitten, ook niet om je kleding te ‘fatsoeneren.’ Ook geen hand op je billen, hoe onschuldig dat ook lijkt.

Het Zwarte Pad.

Bovenaan het fietspad aangekomen, kijkt de man zijn vrouw aan. ‘Zullen we door de wijk teruggaan?’

De vrouw zegt in eerste instantie ja, maar bedenkt zich dan.

‘Nee, ik wil je graag de plek laten zien waar het gebeurd is. Ik rijd wel voorop.’ Het idee had zich ineens in haar hoofd vastgezet. Ze rijdt het fietspad naar beneden af en slaat dan voorbij het treinviaduct linksaf de weg over. Het naambordje boven bij het spoor vermeldt “Het Zwarte Pad”. Een rilling trekt door haar heen. Minstens vijftig jaar is ze hier niet geweest, misschien iets langer.

Het was in de zomer van 1966 maar het kan ook één of twee jaar later geweest zijn. Negen jaar was ze, misschien een jaar jonger of iets ouder, precies weet ze het niet meer. Het was op een zondagmorgen in juni, vaderdag. Miriam wilde een boeket veldbloemen plukken voor haar vader, daar hield hij zo van. Haar broertje was meegegaan. Hier stonden ze in alle varianten en kleuren. Eerder die zomer had ze ook al mooie bloemen daar geplukt. Ze namen het fietspad naar boven dat langs het spoor leidde. De fietsen gooiden ze al gauw aan de kant om de bloemen te gaan plukken die weelderig langs het pad groeiden. Vele klaprozen, korenblauwe bloemen, witte schermachtige bloemen, boterbloemen en nog veel meer. Al gauw hadden ze een respectabele bos geplukt en pakten ze de fiets om weer op huis aan te gaan. Ze verkneukelde zich al bij het gezicht van haar vader, hij hield heel veel van het bos met alles wat daarin bloeide en groeide. Met z’n tweeën fietsten ze weer het pad terug richting de Lage Steenweg die weer naar hun huis zou leiden. Haar broertje slingerde hierbij behoorlijk en een botsing met een bromfietser was bijna onvermijdelijk. De man vloekte stevig en maande ze tot afstappen. Haar broertje negeerde het commando en riep naar Miriam dat ze door moest fietsen.

‘Nee,’ had ze geroepen. Ze was bang voor de man, maar stapte toch af. Ze voelde zich schuldig over het slingeren van haar broertje, een valpartij was maar net voorkomen.

Hij zette zijn brommer op de standaard terwijl hij de motor liet lopen. ‘Jullie moeten niet zo slingeren,’ zei hij boos. ‘Kom eens hier.’

Met dat hij dat zei, trok hij Miriam de struiken in. Ineens zaten zijn handen aan haar rokje.

‘Je knoopje zit los. En je bloesje hangt eruit. Ze weet nog welk bloesje ze aanhad. Het was een perzikkleurig geval dat met een strikje in de taille gesloten werd. Haar moeder had het zelf gemaakt. Dat bloesje hoorde helemaal niet in haar rok. Hij friemelde aan haar bloesje, daarbij haar rokje openmakend. Hij stopte het bloesje erin en sloot het knoopje weer. ‘Zo, dat is beter,’ mompelde hij. Miriam wilde schreeuwen, maar er kwam geen geluid uit haar.

‘Stil zijn,’ maande hij haar. Niet roepen. Zijn donker ribfluwelen jas had hij open hangen. Haar ogen vielen op het bruine houten zakmes dat hij achter zijn broekriem had gestoken. Met doodsangst staarde ze ernaar. Haar broertje was intussen doorgefietst en ze hoorde hem roepen. Nu hoorde ze ook de tractor in de landbouwakker achter hun. Ze hoorde de boer dichterbij komen. De man hoorde het ook. Tot haar opluchting liet hij haar los en ging er op de brommer vandoor die hij al startklaar in de goede rijrichting geparkeerd had. 

Vanaf daar is het een zwart gat. Ze kan zich niet herinneren hoe ze thuis is gekomen. Nooit is ze meer op het Zwarte Paadje geweest tot vandaag. Het is een mooie herfstdag en de zon schijnt vol op het greffelpad dat naar de grote Rijksstraatweg leidt. Samen met haar man fietst ze het pad af. Bij de bomenrij stopt ze. ‘Hier moet het geweest zijn,’ zegt ze.

Haar man kijkt haar geschrokken aan. ‘Maar er is toch niets gebeurd? Hij heeft je toch niet verkracht?’

‘Nee, hij heeft aan me gezeten. Ik heb me bedreigd gevoeld en was bang. Dat had niet gemogen. Ik raak het nooit meer kwijt. Toen ik voor het eerst een donker ribfluwelen jas ergens aan een kapstok zag hangen, kwam het weer naar boven. Dat was al jaren later. En ik heb zo’n mes ook een paar keer ergens gezien. Zelfs bij iemand achter zijn broekriem. Zou hij …?’

‘Maar er is dus niets gebeurd. Heb je aangifte gedaan?’

‘Nee, want mijn moeder reageerde net zo. Wel zijn we samen naar de wijkagent geweest en hebben het verteld, maar daarbij is het gebleven. Maar ik ben blij dat ik eindelijk weer hier geweest ben. In mijn beleving was het een donker en naar pad, maar kijk hoe licht en mooi het hier is. Laten we even tot het eind fietsen.’

Miriam wil weten tot waar het pad doorloopt en waar de man naar op weg was. Als ze aan het eind zijn komen ze bij de Rijksstraatweg uit. Vandaar uit nemen ze de weg terug naar huis. Ze is opgelucht dat ze de confrontatie eindelijk aangegaan is. Dat ze nog een keer terug is geweest op die plek waaraan ze haar hele leven al een nare herinnering heeft. Hopelijk kan ze het nu ombuigen in een positieve herinnering. Er was immers niets gebeurd …